FENOMENOLOGIE

  Driegeleding bij zoogdieren




Kijkt men eens naar de vertering van de koe.
Dat is mooi,
Dat is geweldig,
Dat is iets ongelofelijk geestelijks.
Rudolf Steiner


waar11








Hoefdieren:
paard – varken – koe






De belangrijkste landbouwhuisdieren zijn hoefdieren. De hoefdieren worden verdeeld in de onevenhoevigen en de evenhoevigen. De evenhoevigen worden verdeeld in de varkensachtigen en de herkauwers.

Op deze pagina komen deze drie hoofdgroepen aan de orde:

  • Het paard als vertegenwoordiger van de onevenhoevigen.
  • Het varken als vertegenwoordiger van de varkensachtigen.
  • De koe als vertegenwoordiger van de herkauwers.

De koe is al als vertegenwoordiger van de hoefdieren al op de vorige pagina behandeld. Sommige stukken zijn hier overgenomen om de vergelijking makkelijker te maken.
Hoefdieren zijn over het algemeen grote dieren. Het zijn dieren die de ledematen en het spijsverteringskanaal hebben gespecialiseerd.


Oorsprong
Het wilde paard dat nog leeft is het Mongoolse Przewalski paard, dat in 1879 werd ontdekt en lange tijd alleen in dierentuinen heeft overleefd. Sinds enkele jaren worden er weer dieren naar Mongolië gebracht en uitgezet. Een uitgestorven Europese verwant was het tarpanpaard. De tarpan was een muisgrijs paard. Het woog ongeveer 300 kg en met een schouderhoogte van 110 tot 130 cm leek het op een pony. De poten waren donker, manen en staart waren zwart en ook de brede aalstreep was zwart. De tarpan is in 1887 in Polen uitgestorven. Wel zijn er daar zogenaamde konik-paarden bewaard gebleven, die sterk leken op de tarpan. Later is daar verder mee gefokt. Deze dieren kunnen het hele jaar buiten overleven. In Nederland lopen deze dieren o.a. in de Oostvaardersplassen en andere natuurgebieden.

Varkens stammen af van het wilde zwijn. Deze dieren leven nog in de vrije natuur, bijvoorbeeld op de Veluwe. Het zijn massief gebouwde dieren met relatief korte poten. Ze zijn bruin ruig behaard en hebben in vergelijking met het varken een langere snuit en kop. Everzwijnen hebben een kam van haren op de rug staan. De dieren zijn in Nederland circa 100 cm lang, 50 cm hoog en 75-150 kg zwaar. De hoektanden steken ver uit, zowel de onderste, grotere hoektanden als de bovenste hoektanden zijn naar boven gebogen.

Het oorspronkelijke wilde rund, het oerrund, was een groot dier. De stieren hadden een schouderhoogte van 1,75 – 2 meter en een gewicht van 700 – 1000 kg, de koeien waren ongeveer 25% kleiner. De stieren waren meestal zwart en de koeien bruin. De dieren hadden een lichtgekleurde aalstreep, een witte snuit en grote hoorns, die bij de stieren dikker en meer gedrongen waren en bij de koeien lang en naar buiten gebogen. Oerrunderen kwamen van oorsprong voor in gebieden met afwisseling van bos en open plekken.

In 1627 is het laatste oerrund gestorven. Omstreeks 1920 zijn de gebroeders Heck begonnen een oerrund terug te fokken. Uit grottekeningen en schilderijen was bekend hoe de dieren er uit zagen en dit exterieur hebben zij geprobeerd terug te krijgen. Ze deden dat door verschillende primitieve rassen met elkaar te kruisen totdat het exterieur van het oerrund was bereikt. Gebruikte rassen zijn o.a. Spaans vechtrund, Camarquerund, Corsicaans rund, Hongaars stepperund en Engelse parkrund. Ook is gebruik gemaakt van enkele meer veredelde rassen, zoals het Fries-Hollands ras en enkele Alpenrassen. Dit teruggefokte dier wordt het Heck-rund genoemd. Het uiterlijk lijkt goed op het oerrund. Toch wordt de gelijkenis met het oerrund wel betwijfeld. In Nederland zijn Heck-runderen uitgezet in verschillende natuurterreinen, zoals de Oostvaardersplassen, de Slikken van Flakkee en het Lauwersmeer.


Gedrag en gebruik

Paard
Als we ergens paarden tegenkomen, dan reageren ze en kijken en veelal komen ze naar ons toe en laten zich aanhalen. Ook als ze niet naar ons toe komen, houden ze ons in de gaten. Het zijn dieren van de vlakte en ze lopen en draven veel en kunnen goed springen. Wanneer ze een bocht maken, zien we dat het lichaam stijf is en niet erg wendbaar. Bij gevechten bijten ze en slaan ze met hun poten. Ze foerageren onder normale omstandigheden circa 60% van de dag (14 uur), onder slechte omstandigheden kan dat oplopen tot 80%. Paarden zijn goed te beleren (denk aan dressuur) en beleren hun veulens. Ze hebben relatief veel gezichtsexpressie. Ze zijn gevoelig voor stroom (40 volt kan al te veel zijn). Ze zijn het symbool van kracht, sierlijkheid en vrijheid.

Paarden worden gebruikt om op te rijden, om karren en wagens te trekken en om lasten te vervoeren. Ze worden ook gebruikt als trekkracht bij het bewerken van het land. In Azië en soms in Europa worden paarden gehouden voor de melkgift. Ook worden ze gebruikt bij de dressuur en in het circus om op te rijden en om hun sprongvermogen. Ze kunnen veel leren, zelfs om te ‘dansen’ op muziek.


Varken
Varkens zijn nieuwsgierige groepsdieren, die bij nadering naar je toekomen. Hun gedrag lijkt nog in veel opzichten op het gedrag van hun wilde voorouders, die in het bos voorkwamen. Hun dag bestaat uit een afwisseling van wakker zijn en rusten (dommelen en slapen), beide doen ze ongeveer 12 uur verdeeld in twee perioden, want ze hebben dagelijks twee actieve perioden en twee rustperioden. Slapend liggen ze tegen elkaar aan en deels ook op elkaar. Wanneer ze buiten lopen besteden ze ongeveer 8 uur aan het zoeken naar voedsel, waarvan ze 2 uur wroeten, d.w.z. met de wroetschijf door de aarde heen gaan op zoek naar zaden, wortels en kleine dieren. Wanneer ze in de stal voer krijgen, ontstaat er agressie, ze proberen dan zoveel mogelijk voer te krijgen en jagen elkaar weg.

Ze gaan graag op onderzoek uit. Als ze in een moderne stal zitten, waar niets te ontdekken valt (de wanden en vloer zijn vlak) en er niets te scharrelen en jagen valt, dan gaan ze elkaar als substraat gebruiken en gaan ze staartbijten en daarna op elkaar jagen. Staartbijten is dus een vervanging van het onderzoeks- en jachtgedrag van varkens. Ze vinden het prettig om modderbaden te nemen en zich tegen bomen aan te schuren. Wilde verwanten hebben in hun biotoop altijd enkele zoelplaatsen en wrijfbomen. Deze modderbaden hebben een functie bij de huidverzorging. Varkens kunnen zich namelijk niet overal likken.

Varkens worden als alleseter gebruikt om onbruikbaar veelsoortig voer om te zetten in vlees. Het dier is van oorsprong een verwerker van stadsafval en werd gehoed in het bos, later is het een verwerker van boerderijafval geworden en nu wordt het gevoed met voedsel van goede kwaliteit. Er is belangstelling voor het varken als gezelschapsdier. Ze zijn slim, zindelijk en vriendelijk. Een varken dat in huis wordt gehouden, raakt erg aan mensen gehecht.


Koe
Wanneer we in de winter ’s morgens vroeg in een stal komen, staan alle koeien rustig te vreten of te herkauwen. Vanuit hun bek stijgt wat damp op en alleen het zachte geluid van het kauwen is hoorbaar. Sommige dieren kijken rustig naar je door de kop licht te heffen, ze reageren niet of nauwelijks. De ogen lijken niet helder naar buiten te kijken, maar lijken eerder dof naar binnen gericht. Ze gaan gewoon door met datgene waarmee ze bezig waren. De uiterlijke rust gaat gepaard met een grote spijsverteringsactiviteit.

In de zomer kunnen we de kudde in de wei zien, ook daar reageren ze nauwelijks op onze nadering en we zien dat de dieren lopend grazen of liggen te herkauwen. Slapend treffen we de dieren zelden aan. Per dag grazen ze 8 – 10 uur en evenveel tijd gebruiken ze om te herkauwen.

Koeien besteden ongeveer 1 uur per dag aan sociaal gedrag. Ze likken bijvoorbeeld elkaars huid. Om de rangorde te bevestigen dreigen de dieren elkaar en dieren die laag in rang staan, gaan opzij voor dieren die hoger in rang staan. Koeien worden gebruikt om gras om te zetten in melk en vlees. Vroeger werden ossen ook gebruikt om lasten te trekken (ossenwagens).


Vergelijking
Paarden zijn nieuwsgierige, gevoelige dieren. Ook varkens zijn nieuwsgierig. Koeien zijn dat veel minder. Paarden houden van draven en lopen. Varkens houden van wroeten en koeien houden van grazen en herkauwen, draven kunnen ze niet. Varkens liggen tegen elkaar aan en kennen een afwisseling van rust en agressie. Sociaal gedrag komt bij koeien weinig voor.

In hun gedrag lijken paarden op knaagdieren (nieuwsgierig), varkens op roofdieren (veel onderling sociaal gedrag en afwisseling van onderlinge rust en agressie), koeien vertegenwoordigen het meest de stofwisselingsdieren.


Lichaamskenmerken

Lichaamsbouw

Een paard is een groot, tamelijk rank dier, dat hoog op zijn poten staat. Het lichaam is daardoor relatief ver van de aarde verwijderd. De kop is via een relatief lange hals verbonden met de romp en steekt hoog boven de romp uit. De kop is langgerekt, met name de onderkaak is lang. Er is geen schoft, wel zijn er manen op de nek. Het dier is vooraan tamelijk licht gebouwd, de romp is evenwichtig. De staart is lang en bedekt met lang golvend haar. De benen zijn lang, recht en gestrekt, wat vooral is te zien aan de geringe buiging van de gewrichten. Aan ieder been zit nog één hoef (de uitgegroeide nagel van een teen).

Przewalski paarden - overzicht
grazende Przewalski paarden
Konik of tarpan paarden

Het varken is een niet al te groot dier, dat enigszins plomp en rondachtig is gebouwd. Het gewicht is ongeveer 150 kg. Ze zijn roze tot bruin gekleurd. De poten zijn relatief kort en hebben twee hoeven met twee smalle bijklauwen. De kop gaat (van buitenaf gezien) zonder een noemenswaardige hals over in de romp, door de enorme spiermassa valt de nek niet op. De kop zit op rughoogte. De neus is verbreed tot een beweeglijke schotelvormige wroetschijf. De staart is kort. Het lichaam is relatief wendbaar, maar bochten nemen ze niet zo makkelijk, ze gaan min of meer haaks de bocht om, ongeveer zoals hazen dat doen.

Varken in de wei
Gelukkige varkens
Wilde zwijnen

Koeien zijn relatief zwaar gebouwde dieren, die minder hoog op de poten staan dan paarden. De gewrichten van de poten zijn meer gebogen. Ze lopen op twee hoeven. De kop is met een korte hals verbonden met de romp en steekt niet ver boven de ruglijn uit. De schedel is korter dan van het paard. Met name de stier is vooraan zwaar gebouwd door de schoft. Opvallend zijn de hoorns, die op de kruin van de kop staan.

Koeien in de wei
Heck runderen
Heck runderen 2

Bij het paard zien we dat de benen en de schedel lang zijn en dat de kop hoog boven de ruglijn uit komt. Het varken is min of meer plomp gebouwd en heeft de kop op rughoogte. Het rund heeft de kop wat lager dan het paard en op de kop staan hoorns.


Kleur van de vacht
Om de vachtkleur te vergelijken moeten we de wilde soortgenoten nemen. Het Przewalski paard is licht bruin met een lichtere onderzijde. De manen zijn donkerder. Rond de bek is een lichtere zone.

Het everzwijn is egaal donker en stug behaard. De jongen zijn lichter en gestreept.

Het oerrund is egaal donker tot licht bruin met een lichte aalstreep op de rug.

Bij het paard zien we evenals bij de muis een lichte onderzijde. Bij de wilde zwijnen zijn de jongen gestreept, een kenmerk dat veel voorkomt bij roofdieren, die gevlekt of gestreept zijn.


Voedsel
Paarden eten bij voorkeur kort, relatief hoogwaardig, jong gras dat met de snijtanden wordt afgebeten. Ook eten ze bladeren, knoppen, vruchten e.d. Dat voedsel bevat weinig cellulose. Oud gras laten ze staan. In een paardenwei is er een afwisseling van plekken met kort gras, die ze bijhouden, en doorgeschoten gras, waar de paarden het gras niet eten. Toch kan een paard ook overleven op gras van slechte kwaliteit. Dan verhoogt het dier de opnamesnelheid en laat het gras snel door zijn spijsverteringskanaal lopen (tot tweemaal de passagesnelheid van een koe). Hij haalt dan niet veel voeding uit het gras, maar door de hoge doorloopsnelheid wel voldoende.

Het varken is een alleseter, ze eten wortels, bladeren, vruchten, zaden en paddestoelen. Ook neigen ze naar het eten van vlees: aas, regenwormen, larven en kleine gewervelde dieren worden gegeten wanneer ze ze tegen komen.

Omdat runderen het gras met de tong afrukken, is het gras dat koeien eten lang en celluloserijk en energiearm en daardoor laagwaardiger dan het gras dat paarden eten. Het voer komt eerst in de pens en wordt daarna herkauwd. De afgebroken plantendelen met de micro-organismen zijn het eigenlijke voer dat in de eigenlijke maag (de lebmaag) komt en wordt opgenomen.

Paarden eten relatief hoogwaardiger plantaardig voer dan koeien. Varkens zijn alleseters en eten ook vlees, hun voedsel is het makkelijkst verteerbaar.


Spijsverteringskanaal
Het spijsverteringskanaal van het paard is ongeveer 30 m lang (15 x de lichaamslengte). Het belangrijkste verterings- en gistingsorgaan is de blinde darm met een inhoud van 30 liter, die achter de maag zit. Het totale volume van het spijsverteringskanaal is 210 liter, waarvan de maag 9% omvat, de dunne darm 30% en de dikke en blinde darm samen 61%. Doordat de vertering vooral in de blinde darm plaats vindt, zetten paarden het voedsel minder goed om dan herkauwers. In de warme, vrij droge uitwerpselen zit nog veel enigszins verteerd voer. In de vrije natuur poepen de leidende hengsten op hopen die wel een meter hoog kunnen worden. Hopen van andere hengsten schoppen ze kapot.

Varkens hebben een eenvoudig spijsverteringskanaal van 25 m (ca 20 x lichaamslengte) met een eenkamerige maag met een uitstulping aan de kopse kant. Het volume van het spijsverteringskanaal is 27 liter, waarvan de maag 29% inneemt, de dunne darm 33% en de dikke en blinde darm 38%. Het volume is relatief klein en de maag is relatief belangrijk. De vertering vindt veelal in de maag plaats. Als ze goed gevoerd worden hebben ze keutels als van jongvee.

Koeien hebben een lang spijsverteringskanaal van 50 – 60 meter (ca 30 x de lichaamslengte). Ze hebben vier magen, waarvan de lebmaag overeenkomt met onze maag. Er zijn drie magen voor gekomen, uitgroeisels van de slokdarm: de pens van 200 liter, de netmaag en de boekmaag. Net-, boek- en lebmaag hebben samen een inhoud van 50 liter. Het totale volume van het spijsverteringskanaal is 360 liter, waarvan de magen 71% innemen, de dunne darm 18% en de dikke en blinde darm samen 11%. De vertering vindt al voor de maag plaats in de pens en door te herkauwen wordt het voedsel in kleinere stukjes verdeeld.

De spijsvertering is iets van grote hoeveelheden, zo wordt er meer dan 100 l speeksel per dag geproduceerd (mens 1 – 2 l, paard 40 l), bij een dieet van voornamelijk ruwvoer zijn zelfs waarden van 400 liter per dag vastgesteld. Koeien foerageren circa 8 – 10 uur per dag en herkauwen even lang. In vergelijking met het paard (14 uur) besteden ze minder tijd aan grazen, daar staat tegenover dat ze langer bezig zijn met de verwerking van het voer. De mest houdt het midden tussen die van het paard en het varken, zowel wat mate van vertering betreft als vochtigheid. Het is een goede meststof.



lengte (m) relatieve lengte volume (l) maag dunne darm blinde darm dikke darm speeksel (l)
paard 30 15 x 210 9 % 30 % 16 % 45 % 40
varken 25 20 x 27 29 % 34 % 6 % 32 % 15
koe 50 – 60 30 x 360 71 % 18 % 3 % 8 % > 100

Enkele gegevens over het spijsverteringskanaal van paard, varken en rund (lengte = lengte spijsverteringskanaal, volume = volume spijsverteringskanaal)

Runderen hebben het langste spijsverteringskanaal met het grootste volume, dat van paarden is het kortst. Het volume is bij varkens het kleinst, wat samenhangt met de goede verteerbaarheid van hun voedsel. Runderen verteren het voedsel voor de eigenlijke maag in de pens en paarden doen dat na de maag in de blinde darm.


Gebit
Het gebit van paarden bestaat uit grote snijtanden boven en onder, die loodrecht op elkaar staan, waarmee ze het gras afknippen. Daarna ontbreken de hoektanden (hengsten wel kleine hoektanden) en volgen er grote plooikiezen met ribbels in de lengte van de kaak. Paarden kauwen hun voedsel zijdelings. De onderkaak, die overeenkomt met het beweeglijke ledematendeel van de schedel is zeer groot en massief.

Bij varkens zijn alle tanden en kiezen aanwezig. De snijtanden staan naar voren, de hoektanden (houwers) zijn groot en steken bij het mannetje uit de bek en zijn naar boven gebogen. De knobbelkiezen zijn weinig gespecialiseerd. De voorste kiezen zijn net als bij roofdieren zijdelings afgeplat, de achterste kiezen zijn platte knobbelkiezen. Het verschil met de hoektanden van roofdieren is dat ze bij het varken wortelloos zijn en blijven groeien en aan elkaar afslijpen.

In het gebit van de koe domineren grote plooikiezen, waarin de plooien net als bij het paard in de lengterichting staan. Snijtanden zijn er alleen in de onderkaak, in de bovenkaak ontbreken ze. Hoektanden ontbreken, de lege ruimte in het gebit wordt diastema genoemd. De kauwbeweging is zijwaarts.


Zintuigen
Paarden hebben grote ogen die vrij ver naar achteren op de schedel staan. Hun gezichtsveld is breed. Ze zien goed, ook ’s nachts. Ook de oren zijn groot en ze horen goed. Door de oren te richten kunnen paarden bepalen waar het geluid vandaan komt. Wanneer een paard heeft gezien waar hij vandaan komt, kan hij ook zonder dat de berijder aanwijzingen geeft de weg terug vinden. Toen ze vroeger werden gebruikt als trekkracht voor bijvoorbeeld de melkwagen, wist het paard precies waar hij moest stoppen.

Varkens hebben relatief kleine ogen en tamelijk lange expressieve oren. Gehoor en reuk zijn buitengewoon goed ontwikkeld. Vallende vruchten vinden ze feilloos op het gehoor en ook brekende takjes kunnen ze op grote afstand horen. Met hun reuk kunnen ze voedsel opsporen, zoals eikels, en het wordt gebruikt door varkens truffels te laten zoeken. In de gevoelige wroetschijf bevinden zich veel tastzintuigen.

Koeien kunnen goed kijken en horen, hoewel ze waarschijnlijk alleen bewegende voorwerpen zien en onbeweeglijke pas van dichtbij. Vaak is niet duidelijk dat de dieren iets zien door hun doffe blik. De reuk en smaak zijn beter ontwikkeld.


orgaan paard varken koe
hersenen 1, 5 ‰ 1,0 ‰ 0,7 ‰
hart 7,8 ‰ 3 ‰ 4,3 – 5 ‰
longen 1,2 ‰ ? 0,7 ‰
skelet 20 % 18 % 18 %
Enkele gegevens van paard, varken en koe (in % of ‰ van het lichaamsgewicht)


Karakteristiek

Het paard

Het paard rank is gebouwd. Hij heeft de kop hoog en een lange nek en hij heeft lange, gestrekte ledematen. Hij kan goed draven en springen. Aan de onderzijde is het wilde paard lichter van kleur. Hij heeft grote zintuigen en reageert alert. Het belangrijkste verteringsorgaan is de blinde darm, waar het door de snijtanden afgeknipte relatief hoogwaardige gras wordt verteerd. Bij het paard zien we een aantal kenmerken die we ook bij de muis zagen (grote zintuigen, lichte onderzijde, snijtanden, blinde darm).

Het varken
Het varken is plomp gebouwd en egaal donker van kleur. Hij heeft grote hoektanden en eet als het voor de bek komt een diertje. Het belangrijkste verteringsorgaan is de maag. Er worden gestreepte jongen geboren die het lekker vinden om tegen elkaar aan te liggen. Bij het varken zien we een aantal kenmerken die we ook bij de leeuw zagen (sociaal gedrag, afwisseling van rust en agressie, hoektanden, maag, eet vlees).

De koe
De koe heeft een massief gebouwd, stijf lichaam met een lichte aalstreep. Bij het rund zien we grote kiezen, vertering in de pens, laagwaardig voedsel.


Conclusies
Op de vorige pagina zijn de hoefdieren als de stofwisseling-ledematen dieren gekarakteriseerd. Nu zijn van de drie groepen hiervan drie vertegenwoordigers vergeleken. Binnen de stofwisseling-ledematen dieren is:

  • Het paard het zenuw-zintuig dier. We zien hier vergelijkbare kenmerken als bij de muis. De muis heeft geen lange nek, het paard wel. De lange nek scheidt het zenuw-zintuig gebied van het stofwisselings-ledematen gebied, waardoor het paard een zintuigactief dier kan zijn.
  • Het varken het hart-long dier. Hier zijn de kenmerken vergelijkbaar met de leeuw.
  • De koe het stofwisseling-ledematen dier.

Een andere indeling is dat:

  • Het paard de ledematen heeft gespecialiseerd (draaft veel, loopt op een hoef, lange ledematen)
  • De koe de stofwisseling heeft gespecialiseerd (eet laagwaardig voedsel, lang spijsverteringskanaal, herkauwer)
  • Het varken is in dit opzicht ongespecialiseerd, de voortplanting is gespecialiseerd met zijn vele nakomelingen.

Hoe meer de stofwisseling is gespecialiseerd hoe meer die naar voren schuift. Bij het paard is het belangrijkste verteringsorgaan de blinde darm, bij het varken de maag en bij de koe de pens (een uitgroeisel van de slokdarm).

kenmerk paard varken koe
gebit snijtanden hoektanden kiezen
voedsel hoogwaardig plantaardig divers plantaardig, vlees laagwaardig plantaardig
spijsvertering blinde darm maag pens, herkauwen
gedrag wakker sociaal, afwisselend rust en agressie ingekeerd
lichaam kop hoog kop midden kop iets hoger, hoorns
gebruik rijdier, lastdier afvalverwerker, gezelschapsdier melk en vlees
specialisatie ledematen voortplanting stofwisseling
conclusie zenuw-zintuig dier hart-long dier stofwisseling-ledematen dier
Enkele kenmerken van paard, varken en koe


Paard met een veulen



Przewalski paard



Een tarpan paard



Vechtende paarden



Paarden voor de ploeg




Varken met een big



Wild zwijn of everzwijn



Wroetend varken



Wild zwijn op een zoelplaats



Jonge everzwijnen



Sommige mensen houden een varken als huisdier



Een blaarkop koe met een kalf



Koe met hoorns



Stier van het Heckrund



Een grazende koe



Koeien in een melkstal




Skelet van een paard: lange onderkaak, nek en poten


Skelet van een varken: gedrongen lichaam


Skelet van een rund: massief lichaam






Schedel van een paard



Schedel van een varken





De hoektanden van een wild zwijn mannetje



Schedel van een koe



De hoef van een paard

   Homeopathie & EFT Vorige   Volgende Tom van Gelder